2. HET VOLK DAT IN DUISTERNIS WANDELT

Het volk dat in duisternis wandelt,
het volk dat leeft zonder God,
zal een heel groot licht zien stralen.
Nu verandert het donkere lot.

Mensen roepen het uit op de pleinen,
ze juichen van louter genot,
want de last op hun rug is verdwenen
en de stok die hen sloeg is kapot.

Geen schoen stampt en dreunt in de straten,
geen mantel wordt rood van het bloed,
want een Kind is ons geboren,
deze Zoon maakt het leven weer goed.

Iedereen heeft voor Hem wel een naam:
sterke God, Redder, Heer, Mensenzoon.
In Zijn rijk heersen recht en vrede;
Deze God is een God van Sjaloom!

Sjaloom!