13. IN DE AANVANG WAS HET WOORD

In de aanvang was het Woord,
was het Woord,
het Woord dat leefde in God.
Eengeboren, Zoon van God,
Levend in de schoot van God:
Hij heeft Hem ons doen kennen.
In de aanvang was het Woord,
was het Woord,
het Woord dat ied're mens hoort.

Niemand heeft ooit God gezien,
Hij alleen,
Hij is het levende Licht.
In de wereld niet geloofd,
door de wereld uitgedoofd,
Gekomen om te lichten.
Niemand heeft ooit God gezien,
Hij alleen,
Hij licht in duisternis op.

In de aanvang was het Licht,
was het Licht,
het Licht dat straalde van God.
Mens geworden is het Licht,
vlees geworden is het Woord;
wij mochten het aanschouwen.
In de aanvang was het Woord,
was het Woord,
het Woord dat onder ons woont.

Niemand heeft ooit God gezien,
Hij alleen,
Hij is het levende Licht.
Jezus Christus, onze Heer,
uit Zijn volheid is ons deel:
genade op genade.
In ons leven klinkt het Woord,
zingt het Woord,
God heeft het ons doen kennen.