25 HET LIED VAN HET WATER

Water leeft en stroomt en klatert, dag en nacht, van uur tot uur.
Water sprankelt, schittert, ruist oneindig voort; kent rust noch duur.
Baant zich steeds weer nieuwe wegen. Eeuwig spel, als was het vuur.
Het water spreekt: Noemt een naam; God, Uw naam?
Noemt een naam; God, Uw naam?

Even is het stil, maar luister, ver van hier, daar klinkt een naam.
In de golven kun je 't horen; steeds die naam. De branding zingt
van een mens opnieuw geboren. Leven gloort, een dag begint.
Het water spreekt: Weer die naam; God, Uw naam?
Weer die naam; God, Uw naam?

Mozes ging zijn volk vooruit naar 't nieuwe land, door God beloofd.
Water spat de rotsen uit, verkwikt de mens en schept geloof.
Zijn wij geen nomaden, Heer, wij roepen ook; de angst is groot.
Ik roep een naam: Weer die naam; God, Uw naam?
Weer die naam; God, Uw naam?

God, U leeft en spreekt en stroomt als water, steeds aan ons voorbij.
Wie wat aan de oevers droomt, secondenlang, is even vrij.
Maar dan vloeit het tussen onze vingers weg - een glinstering.
Daar spreekt het hart: Weer die naam, God, Uw naam!
Weer die naam, God, Uw naam!